• Home |
  • Kennis |
  • VBAR, zelfstandigenwet en de rechtspraak: waar staan we nu?

VBAR, zelfstandigenwet en de rechtspraak: waar staan we nu?

Afbeelding voor VBAR, zelfstandigenwet en de rechtspraak: waar staan we nu?

De scheidslijn tussen werken als zelfstandige en werken in dienstbetrekking blijft een onderwerp dat volop in beweging is. Eerder schreven we al een blogreeks over de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsrelaties. Niet alleen de wetgeving begint zich nu wat duidelijker af te tekenen, ook in de rechtspraak wordt het speelveld verder ingekleurd. Een voorbeeld van deze inkleuring is te zien in de onderstaande uitspraak waarin een beveiliger via zijn eenmanszaak werkte, maar zich toch werknemer achtte (ECLI:NL:GHSHE:2025:756).

Beveiliger met eenmanszaak: arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?

In deze zaak ging het om een beveiliger die via zijn eenmanszaak werkt voor een beveiligingsbedrijf. Aanvankelijk verliep de samenwerking zonder problemen, totdat het bedrijf de samenwerking eenzijdig beëindigde. De beveiliger vocht dit aan: hij stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, wat zou betekenen dat de beëindiging niet zomaar had mogen plaatsvinden. In eerste aanleg oordeelde de kantonrechter dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het hof kwam echter tot de conclusie dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Het hof overweegt als volgt:

  • er is een overeenkomst gesloten voor onbepaalde tijd;
  • de beveiliger werkte niet voor meerdere opdrachtgevers;
  • er was geen mogelijkheid tot daadwerkelijke onderhandelingen bij het aangaan van de overeenkomst over bijvoorbeeld het salaris;
  • de beveiliger ontving instructies voor het uitoefenen van de werkzaamheden;
  • er kan niet worden vastgesteld of de afspraken om zich te mogen laten vervangen en/of om diensten terug te geven een werkelijke betekenis hadden;
  • de beveiliger gebruikt geen eigen bedrijfsmiddelen;
  • de beveiliger presenteerde zich naar buiten toe niet als zelfstandig ondernemer;
  • Het criterium ‘inbedding in de organisatie’, was in deze casus niet bruikbaar: de kernactiviteit van het bedrijf (beveiliging op locaties) wordt enkel door ZZP’ers uitgevoerd. Volgens het hof “viel er niet veel ‘in te bedden’ in de organisatie”.

Op basis van de bovenstaande omstandigheden oordeelt het hof dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het feit dat de beveiliger zijn werkzaamheden via facturen declareerde en gebruikmaakte van de kleineondernemersregeling, vindt het hof op zichzelf niet bepalend voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Het hof zegt daarover: “Beide omstandigheden zijn immers de min of meer logische gevolgen van het gegeven dat wat in feite arbeidsovereenkomsten waren bij aanvang van de overeenkomsten in de vorm van zzp’er-contracten werd gegoten”.

De beëindiging van de overeenkomst werd uiteindelijk onterecht bevonden. Het bedrijf had alleen mogen opzeggen met een geldige ontslaggrond, bijvoorbeeld een dringende reden voor ontslag op staande voet. Die reden was er niet.

Kijk naar de feitelijke situatie

Deze uitspraak bevestigt opnieuw: de feitelijke situatie is doorslaggevend bij de beoordeling van een arbeidsrelatie. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, wordt niet bepaald door wat op papier staat, maar door hoe de samenwerking in de praktijk wordt uitgevoerd. Die kwalificatie geschiedt aan de hand van gezichtspunten die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (Deliveroo). Deze lijn wordt al langere tijd gevolgd in de jurisprudentie en vormde (onder andere) de grondslag voor het wetsvoorstel VBAR (Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden). Met dit wetsvoorstel wil de wetgever door de bestaande jurisprudentie wettelijk te verankeren, zowel schijnzelfstandigheid verminderen als meer rechtszekerheid te bieden aan werkenden en opdrachtgevers. De wetgever heeft dit wetsvoorstel al eerder voorgelegd aan de Raad van State, maar naar aanleiding van onder meer de Uber-uitspraak (ECLI:NL:HR:2025:319), is dat wetsvoorstel gewijzigd.

Kernpunten wetsvoorstel VBAR

Op 7 juli 2025 is het aangepaste wetsvoorstel door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingediend bij de Tweede Kamer. Ik ga hieronder kort in op de kernpunten van het voorstel, maar voor een uitgebreide bespreking verwijs ik naar de blog van mijn collega Esmee.
 
De kern van het voorstel is een verduidelijking van het gezagscriterium uit artikel 7:610 BW. Aan dit artikel worden daarom twee hoofdelementen toegevoegd die moeten helpen bij het bepalen of sprake is van een gezagsverhouding:

de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever (element “W”), en;
de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht, of de arbeid in mindere mate voor eigen rekening en risico verricht dat dan sprake is van sturing als bedoeld in onderdeel a (element “Z”)


Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst bij een uurtarief onder €36 (peildatum 1 januari 2025). Degene die minder verdient, kan zich beroepen op dat vermoeden; de opdrachtgever moet dan aantonen dat er géén arbeidsovereenkomst bestaat. Dit moet vooral de positie van de kwetsbare werkenden versterken.
 
Om de elementen “W” & “Z” praktisch hanteerbaar te maken, is een nadere invulling van deze hoofdelementen vastgelegd in het Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties waarvan de internetconsultatie op 13 oktober 2025 is gesloten. Per hoofdelement zijn vijf indicaties opgenomen die invulling geven aan het specifieke hoofdelement. Deze indicaties zijn aan de jurisprudentie ontleend.

Indicaties

Indicaties ‘werkinhoudelijke en organisatorische sturing’ (element W):

  • de werkgevende is bevoegd om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werkende de werkzaamheden moet uitvoeren en de werkende moet deze ook opvolgen;
  • de werkgevende heeft de mogelijkheid om de werkzaamheden van de werkende te controleren en is bevoegd om in basis daarvan in te grijpen;
  • de werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende;
  • de werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie;
  • de werkende soortgelijke werkzaamheden verricht als andere werknemers.

Indicaties ‘werken voor eigen rekening en risico’ (element Z):

  • de financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij de werkende;
  • de werkende zorgt voor een zelfstandige en voor derden als zodanig herkenbare uitvoering van de werkzaamheden;
  • de werkende is in het bezit van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie van de werkgevende niet structureel aanwezig is;
  • er is sprake van een korte duur van de opdracht en/of een beperkt aantal uren per week;
  • er is sprake van kenmerken die wijzen op ondernemerschap van de werkende voor soortgelijke werkzaamheden.

Zelfstandigenwet in ontwikkeling: alternatief naast VBAR

Parallel aan het traject van de VBAR werken verschillende politieke partijen aan een alternatief wetsvoorstel: de Zelfstandigenwet. De wet beoogt een andere benadering van de kwalificatie van de arbeidsrelaties en de positie van zelfstandigen. De huidige inhoud van dit wetsvoorstel bespraken wij eerder in deze blog.

Wat nu?

De Wet VBAR ligt inmiddels onder een vergrootglas. Vanuit de praktijk en ook binnen de politiek klinkt toenemende kritiek op de complexiteit, de uitvoerbaarheid en de mate waarin de wet daadwerkelijk bijdraagt aan rechtszekerheid. De wet VBAR wordt behandeld in de Tweede Kamer, maar het blijft onzeker of de wet op voldoende steun kan rekenen. Mocht de Tweede Kamer toch akkoord gaan, gaat het voorstel naar de Eerste Kamer. De beoogde datum van inwerkingtreding is op 1 juli 2026, maar de vraagt blijft of dat haalbaar is.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande lijkt de zelfstandigenwet opnieuw aan politieke relevantie te winnen. Dit wetsvoorstel is immers een initiatief van onder meer D66, CDA en VVD. Met de naderende samenwerking tussen die partijen is het niet uitgesloten dat de aandacht verschuift naar dit alternatief op de VBAR.

In de tussentijd blijft het belangrijk voor organisaties om kritisch te kijken naar hoe arbeidsrelaties worden ingericht en is het raadzaam te beoordelen hoe huidige contracten zich verhouden tot de nieuwe criteria. Vertrouwen op de papieren constructie is niet genoeg – de feitelijke uitvoering is bepalend. Vragen over wat dit betekent voor jouw organisatie? Neem gerust contact met ons op. We denken graag met je mee.

Stel je vragen aan onze specialisten

“Neem contact met mij op en ontvang antwoord op jouw vragen. Ik ben bereikbaar per mail of telefoon.”
Bibi van der Stelt