Wet veilige jaarwisseling: botsing tussen papier en praktijk?

Op 1 augustus 2026 zijn de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit veilige jaarwisseling in werking getreden (Stb. 2026, 168 en 169) (hierna: ‘de Wet’ en ‘het Besluit’). Na jarenlange discussie in de politiek en de maatschappij is een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten daarmee een feit. Wel is er een ontsnappingsroute voor ‘georganiseerde’ burgers.
De Wet biedt de burgemeester namelijk de mogelijkheid om een ontheffing van het vuurwerkverbod te verlenen aan verenigingen en stichtingen met een lokale binding. Op die manier kan er volgens de regering toch in georganiseerd verband vuurwerk worden afgestoken tijdens de jaarwisseling. Uit recente berichtgeving van de NOS blijkt echter dat een kwart van de gemeenten al heeft aangegeven geen gebruik te zullen maken van deze ontheffingsbevoegdheid. Uit andere berichtgeving blijkt dat burgemeesters de ontheffingsbevoegdheid op het landelijke vuurwerkverbod als verwarrend ervaren en niet-handhaafbaar. Daarmee knettert het tussen de bedoeling van de wetgever en de praktijk waarin de burgemeester zich bevindt.
In deze blog staan wij daarom uitgebreid stil bij de totstandkoming en de kern van de Wet en het Besluit. Ook gaan wij in op de vele afwegingen die de burgemeester moet maken bij de beslissing om in zijn gemeente wel of geen ontheffing(en) van het vuurwerkverbod te verlenen.
Vuurwerkverbod
De Wet is een initiatiefwet van Klaver (PRO) en Ouwehand (PvdD). Met de inwerkingtreding van de Wet en het Besluit geldt vanaf de jaarwisseling 2026-2027 een vuurwerkverbod voor particulieren. Het is particulieren dan verboden om vuurwerk te bezitten en af te steken. Het bezit en afsteken van fop- en schertsvuurwerk (zoals knalerwten en sterretjes) blijft wel toegestaan, evenals professionele vuurwerkshow die door gespecialiseerde bedrijven worden uitgevoerd.
Ontheffingsbevoegdheid burgemeester
Vanwege het amendement Bikker c.s. (Kamerstukken II, 2024/25, 35 386, nr. 17) is in de Wet een ontheffingsbevoegdheid voor de burgemeester opgenomen. Dit betekent dat de burgemeester lokaal een uitzondering op het vuurwerkverbod kan maken. Dit volgt uit artikel 9.2.2.1a, vierde lid, dat aan de Wet Milieubeheer is toegevoegd.
Burgemeester mag nul-beleid voeren
Het is aan de burgemeester om te bepalen of hij wil overgaan tot het verlenen van ontheffingen. De burgemeester hoeft dat niet te doen en kan een nul-beleid voeren. Uit de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2026, 168, p. 23) blijkt namelijk dat de burgemeester, eventueel in overleg met de lokale driehoek, kan besluiten om geen ontheffingen te verlenen in zijn gemeente. Daarbij kunnen onder meer de veiligheid, de uitvoerbaarheid, de handhaafbaarheid van de ontheffing en de lokale situatie een rol spelen.
Indien de burgemeester een nul-beleid voert en besluit om in zijn gemeente geen ontheffing te verlenen, neemt dat overigens niet weg dat de burgemeester een volledig ingediende aanvraag voor een ontheffing wel in behandeling moet nemen. De burgemeester kan die ontheffingsaanvraag in dat geval echter afwijzen op grond van artikel 2.3.2, onder f, van het Vuurwerkbesluit. Uit dit artikel, waar wij hierna uitgebreider op ingaan, volgt namelijk dat een ontheffing moet voldoen aan het door de burgemeester hierover vastgestelde beleid.
Wettelijke voorwaarden waaronder een ontheffing kan worden verleend
Wanneer de burgemeester wel bereid is om in zijn gemeente ontheffingen te verlenen, dan dient hij de aanvraag voor een ontheffing te toetsen aan het Besluit. In het Besluit staan de spelregels voor de ontheffingsbevoegdheid. Uit de nota van toelichting bij het Besluit (Stb. 2026, 168, p. 27) blijkt dat de wetgever de burgemeester veel ruimte heeft willen bieden om een ontheffing te verlenen voor het organiseren van vuurwerk tijdens de jaarwisseling. Dit is de reden dat in het Besluit weinig voorwaarden aan de ontheffingsbevoegdheid zijn gesteld.
Met de inwerkingtreding van het Besluit zijn de regels daaruit per 1 augustus 2026 opgenomen in het Vuurwerkbesluit.
Uit artikel 2.3.2 van het Vuurwerkbesluit volgt dat de burgemeester enkel een ontheffing kan verlenen wanneer ten minste aan alle in dat artikel opgenomen voorwaarden (a t/m f) wordt voldaan. Deze voorwaarden bespreken wij hierna.
a. De aanvraag voor een ontheffing is ingediend door een (informele) vereniging of stichting met lokale binding die staat ingeschreven in het handelsregister
De burgemeester kan enkel een ontheffing verlenen aan een groep burgers die zich hebben georganiseerd in een vereniging of stichting. Het kan bijvoorbeeld gaan om een wijk-, buurt- of sportvereniging of om een speciaal opgerichte vuurwerkvereniging. De vereniging of stichting moet wel een lokale binding hebben met de gemeente waarin de aanvraag voor een ontheffing wordt gedaan. Deze lokale binding kan bijvoorbeeld blijken uit het vestigingsadres, de eerdere activiteiten en/of de statutaire doelstelling van de vereniging of stichting. Verder moet de vereniging of stichting staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daarmee heeft de wetgever willen borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die civielrechtelijk – en zo nodig ook strafrechtelijk – aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing.
b. De aanvraag is voorzien van een door de burgemeester afdoende geacht veiligheidsplan, inclusief situatietekening en overzicht van het af te steken vuurwerk, waaruit blijkt hoe aan de voorschriften van de ontheffing wordt voldaan.
De aanvrager moet bij zijn ontheffingsaanvraag een veiligheidsplan overleggen, evenals een situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk. In het veiligheidsplan moet de aanvrager ook aantonen op welke manier wordt voldaan aan de wettelijke voorschriften die op grond van artikel 2.3.2a van het Vuurwerkbesluit aan de ontheffing worden verbonden. Het gaat daarbij om voorschriften waarvan de wetgever vindt dat de burgemeester deze voorschriften in ieder geval aan de ontheffing moet verbinden (Stb. 2026, p. 168, p. 11). Denk hierbij aan voorschriften over de minimale veiligheidsafstand bij het afsteken van het vuurwerk.
Uit de ‘Handreiking Ontheffingsbevoegdheid Wet veilige jaarwisseling’ van de VNG (hierna: ‘de Handreiking’) (p. 18) volgt dat de burgemeester kan besluiten om een aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen, indien geen veiligheidsplan is ingediend. Daarvoor geldt wel dat de aanvrager eerst de gelegenheid moet hebben gehad om dit gebrek te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Wij menen dat de VNG hier specifiek de toepassing van artikel 4:5, eerste lid, sub a, van de Awb bedoelt.
Uit de Handreiking van de VNG en/of de nota van toelichting blijkt echter niet wat de burgemeester kan doen als hij het bij de aanvraag ingediende veiligheidsplan niet afdoende acht, ofwel gebrekkig. Wij menen dat de burgemeester in dat geval op grond van artikel 4:5, eerste lid, sub c, van de Awb kan besluiten om de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad om dit gebrek te herstellen binnen een daartoe gegeven termijn. Oftewel: om binnen een gestelde termijn een verbeterd veiligheidsplan aan te leveren, waarin aan de door de burgemeester gesignaleerde gebreken wordt voldaan.
c. Het afsteekterrein (niet zijnde een binnenruimte van een gebouw) is geschikt en veilig voor het bewaren en afsteken van vuurwerk, goed bereikbaar voor hulpdiensten en voldoet aan de voorgeschreven veiligheidsafstanden
Het beoogde afsteekterrein moet geschikt zijn om het vuurwerk veilig tot ontbranding te brengen. De burgemeester kan dit beoordelen op basis van de informatie die de aanvrager op grond van bovenstaande voorwaarde onder b moet verstrekken. Een locatie is bijvoorbeeld niet geschikt wanneer deze in de nabijheid ligt van een brandbaar object (zoals een huis met rieten dak) of van een gebouw met kwetsbare personen (zoals een ziekenhuis). Bij de beoordeling van de geschiktheid van een locatie doet de burgemeester er dan ook goed aan om advies in te winnen van de lokale driehoek, de omgevingsdienst en/of de brandweer. Daar is immers de voor deze beoordeling benodigde expertise aanwezig.
d. De aanvraag heeft betrekking op maximaal 200 kg verpakt bij ministeriële regeling aangewezen vuurwerk van categorie F2;
De burgemeester kan voor maximaal 200 kilogram verpakt F2-vuurwerk een ontheffing verlenen. Dit betekent dat het gewicht van het vuurwerk inclusief het omhulsel en eventuele (detailhandels- of transport)verpakking niet meer dan 200 kilogram mag bedragen.
e. De aanvrager wijst een of twee supervisors aan die ter plaatse verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken, alsmede ten hoogste acht ontbranders die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en overlegt een telefoonnummer waarop de supervisor of supervisors bereikbaar zijn;
De aanvrager moet in zijn aanvragen één of twee ‘supervisors’ aanwijzen. De supervisor is een door de vereniging of stichting aangewezen persoon die tijdens het afsteken van het vuurwerk verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken ter plaatse. Daarnaast moet de aanvrager maximaal acht personen aanwijzen die het vuurwerk zullen afsteken. Dit zijn de zogeheten ‘ontbranders’. In artikel 2.3.2a, tweede lid, van het Vuurwerkbesluit zijn eisen opgenomen waaraan de supervisors en ontbranders moeten voldoen. Uit dit artikel blijkt onder meer dat zowel de supervisors als de ontbranders ten minste 18 jaar dienen oud te zijn (sub c). Daarnaast wordt van de ontbranders en de supervisors verwacht dat zij kennis hebben over het veilig omgaan met vuurwerk (sub e). In de nota van toelichting wordt hierover opgemerkt dat dit kennis over het veilig afsteken, opslaan en transporteren van vuurwerk omvat, en hoe te reageren op calamiteiten, zoals een beginnende brand en eerste hulp bij brandwonden. In dit verband is vanuit Rijk een voorlichtingspakket beschikbaar gesteld, waarvan supervisors en ontbranders kennis kunnen nemen (Stb. 2026, 168, p. 13).
f. Het door de burgemeester vastgestelde beleid, waaronder zo nodig het maximumaantal ontheffingen, staat niet aan verlening in de weg.
De burgemeester kan een ontheffingsaanvraag afwijzen op grond van het beleid dat hij voert. Zoals gezegd, kan de burgemeester een nul-beleid voeren. Maar het beleid kan bijvoorbeeld ook zien op een maximumaantal te verlenen ontheffingen en/of de locaties die al dan niet in aanmerking komen voor het afsteken van vuurwerk met een ontheffing.
Indien de burgemeester in zijn beleid een maximumaantal te verlenen ontheffingen instelt, per locatie of in de gemeente, dan kan een schaars recht ontstaan wanneer het aantal mogelijke aanvragers groter is dat het aantal te verlenen ontheffingen. In dat geval moet de burgemeester op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte bieden om naar de beschikbare ontheffingen mee te dingen (Stb. 2026, 169, p. 11). De VNG merkt in de Handreiking (p. 16) op dat de burgemeester in dat geval uit vier stelsels kan kiezen. Het verlenen van ontheffingen kan dan geschieden door verdeling op volgorde van binnenkomst (first come, first serve), via een loting, via een vergelijkende toets of via een veiling.
Aanvullende voorwaarden aan ontheffing
De VNG merkt in de Handreiking (p. 6) verder op dat de burgemeester in aanvulling op bovengenoemde wettelijke voorwaarden ook zelf nog aanvullende lokale voorwaarden kan stellen waaraan een ontheffingsaanvraag moet worden getoetst. Deze bevoegdheid volgt uit bovengenoemd artikel 2.3.2 van het Vuurwerkbesluit waarin staat dat een ontheffingsaanvraag ten minste aan de in dat artikel genoemde voorwaarden moet voldoen. De burgemeester kan aanvullende lokale voorwaarden vastleggen in een beleidsregel (artikel 4:81, eerste lid jo. artikel 1:3, vierde lid, van de Awb). Als aan een of meerdere aanvullende lokale voorwaarden niet wordt voldaan, kan de burgemeester de ontheffingsaanvraag weigeren op grond van artikel 2.3.2, sub f, van het Vuurwerkbesluit.
Uit een recent bericht van de VNG volgt dat de burgemeester op grond van dit toetsingskader bijvoorbeeld kan besluiten om de openbare orde en/of de openbare veiligheid als aanvullende lokale voorwaarde(n) te stellen, waaraan een ontheffingsaanvraag moet worden getoetst.
Aanvullende voorschriften aan ontheffing
De burgemeester kan op grond van artikel 2.3.2a van het Vuurwerkbesluit ook aanvullende voorschriften aan een ontheffing verbinden (Stb. 2026, p. 168, p. 11). Het gaat dan om voorschriften die gelden als een aanvulling op de wettelijke voorschriften die op grond van artikel 2.3.2a van het Vuurwerkbesluit in ieder geval aan de ontheffing moeten worden verbonden. Zo kan de burgemeester in de ontheffing bijvoorbeeld het voorschrift opnemen dat de ontheffinghouder over een aansprakelijkheidsverzekering moet beschikken. Op die manier kan de burgemeester meer zekerheid proberen te verkrijgen bij het verhalen van eventuele schade die door georganiseerd vuurwerk met een verleende ontheffing is ontstaan.
Het is op dit moment overigens nog onzeker of een dergelijk voorschrift de burgemeester voldoende zekerheid biedt. Uit de Handreiking (p. 11) blijkt namelijk dat het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven dat het nog maar de vraag is of verzekeringsmaatschappijen (betaalbare) aansprakelijkheidsverzekeringen zullen aanbieden. Dit in verband met de verwachte risico’s bij het afsteken van vuurwerk door consumenten. Vanwege dit signaal is het voor de burgemeester daarom onzeker of hij de eventuele schade die door de ontheffinghouder is veroorzaakt, wel kan verhalen. Deze afweging kan de burgemeester betrekken bij zijn keuze om in de gemeente (nog) geen ontheffingen te verlenen.
Toezicht en handhaving
Bij de beslissing om wel of geen ontheffingen te verlenen speelt ook het toezicht en de handhaving van de ontheffingen een grote rol. Uit de nota van toelichting bij het Besluit blijkt dat het aan gemeenten zelf is om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden waaronder de ontheffing is verleend en van de voorschriften die aan een ontheffing zijn verbonden (Stb. 2026, 168, p. 23-24). Dit toezicht kan worden uitgeoefend door (gemeentelijke) toezichthouders. Ook kunnen buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: ‘boa’s’) en politieagenten als toezichthouder worden aangewezen (Stb. 2026, 168, p. 25).
Uit de Handreiking (p. 10) blijkt dat de VNG echter al heeft aangegeven dat de mogelijkheden voor toezicht en handhaving door gemeenten tijdens de jaarwisseling zeer beperkt zullen zijn. In het merendeel van de gemeenten zullen boa’s en toezichthouders tijdens de jaarwisseling namelijk niet op straat aanwezig zijn vanwege de gevaarsituatie. Dit betekent dat zij tijdens de jaarwisseling geen toezicht kunnen houden op de ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften en bij overtredingen daarvan niet handhavend kunnen optreden.
Problematisch is dat de politie in de door haar uitgevoerde uitvoeringstoets van 31 december 2025 heeft opgemerkt dat de politie ‘geen directe rol’ voor zichzelf ziet weggelegd bij de handhaving van ontheffingen. Op grond hiervan plaatste de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies van 27 mei 2026 over het ontwerp Besluit veilige jaarwisseling, al kritische kanttekeningen bij de handhaafbaarheid van de ontheffing.
Ook de laatste berichtgeving van de VNG hierover is weinig hoopvol. De VNG merkt namelijk op dat het vraagstuk rondom de handhaving van het vuurwerkverbod ‘nog niet is afgerond’ en de VNG hierover in gesprek blijft met de betrokken ministeries, de politie en het Openbaar Ministerie.
Dit roept de vraag op of het voor burgemeesters op dit moment wel verantwoord is om ontheffingen te verlenen. Nu de politie geen rol voor zichzelf ziet, is handhaving van de ontheffing tijdens de jaarwisseling enkel mogelijk wanneer een gemeente de capaciteit en bereidheid heeft om hiervoor boa’s en toezichthouders in te zetten.
Tot besluit
De wetgever heeft de burgemeester veel ruimte willen bieden om een ontheffing voor het vuurwerk tijdens de jaarwisseling te organiseren. Vooralsnog stellen veel burgemeesters zich terughoudend op. Verrassend is dit niet, nu verleende ontheffingen naar verwachting tijdens de jaarwisseling vrijwel niet handhaafbaar zullen zijn. Er zijn echter ook andere signalen uit de praktijk. Zo blijkt uit berichtgeving van het Algemeen Dagblad dat minstens 41 gemeenten al hebben aangegeven aanvragen voor ontheffingen wel in behandeling te nemen en waar mogelijk te verlenen.
Burgemeesters staan in beide gevallen voor een lastige opgave die veel (knetterende) vragen meebrengt. Wij zijn uiteraard graag bereid om over deze vragen te sparren.
Stel je vragen aan onze specialisten
“Neem contact met mij op en ontvang antwoord op jouw vragen. Ik ben bereikbaar per mail of telefoon.”







