Zakelijk samenwerkingsverband onder de Wet Bibob

Afbeelding voor Zakelijk samenwerkingsverband onder de Wet Bibob

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een reeks uitspraken, waaronder die van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:214) en de uitspraak van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4128), een koerswijziging laten zien in de manier waarop zij het begrip zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid aanhef en onder c van de Wet uitlegt.

Waar het voorheen voldoende om te komen tot een zakelijk samenwerkingsverband als was gebleken dat sprake was van een zakelijke relatie die gericht is op samenwerking en dat die samenwerking een zeker duurzaam en structureel vertoont, lijkt de Afdeling daar nu een extra elementen aan toe te voegen: zij lijkt met name belang te hechten aan het beoogd zijn van samenwerking en het bestaan (hebben) van bemoeienis.

De casus

De burgemeester van Leeuwarden had een exploitatievergunning voor een seksinrichting geweigerd omdat de aanvrager volgens hem in een zakelijksamenwerkingsverband stond met de vorige exploitant van wie de exploitatievergunning was ingetrokken. Volgens de burgemeester waren de volgende feiten doorslaggevend:

  • [wederpartij] huurt van [persoon] het pand waarin de inrichting wordt geëxploiteerd;
  • [persoon] heeft in het pand eerst zelf een seksinrichting geëxploiteerd;
  • [wederpartij] was beheerder van de seksinrichting van [persoon];
  • [persoon] wilt als beheerder bij [wederpartij] in de seksinrichting gaan werken;
  • in Heerenveen exploiteert [wederpartij] eveneens een seksinrichting in een pand van [persoon]; en
  • voor de inrichting in Leeuwarden gebruikt [wederpartij] dezelfde handelsnaam als eerder werd gebruikt door [persoon].

Op basis daarvan meende het LBB en de burgemeester dat een zakelijk samenwerkingsverband bestond. De rechtbank en uiteindelijk ook de Afdeling bestuursrechtspraak volgden die redenering niet.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling oordeel als volgt over het zakelijk samenwerkingsverband:

“4.4.    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband, ook als de feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Hoewel er verschillen zijn met de aanvraag voor een exploitatievergunning in Heerenveen, blijkt uit geen van de feiten of omstandigheden dat [wederpartij] een samenwerking met [persoon] voor ogen heeft gehad die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft, noch dat een dergelijke samenwerking in het verleden heeft bestaan. [wederpartij] heeft op de zitting toegelicht dat hij niet met [persoon], die op leeftijd is, samenwerkt of in het verleden heeft samengewerkt maar dat hij alleen de panden van [persoon] huurt.

Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, is de enkele (ver)huurrelatie onvoldoende voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband. In die uitspraak oordeelde de Afdeling verder dat het overnemen van inventaris evenmin het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.

Dat geldt naar het oordeel van de Afdeling ook voor de overname van handelsnamen, voor zover daar al sprake van zou zijn. Weliswaar is [wederpartij] korte tijd bijgeschreven geweest als beheerder op de exploitatievergunning van [persoon], maar daarover heeft hij, ook op de zitting, verklaard dat hij in de veronderstelling was dat dit nodig was ten behoeve van zijn eigen aanvraag voor een exploitatievergunning. Daaruit zou  een zakelijke relatie afgeleid kunnen worden maar dat die samenwerking een duurzaam en structureel karakter had is niet gebleken. De burgemeester heeft geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat [wederpartij] verder enige bemoeienis heeft gehad met de bedrijfsvoering van [persoon]. Het beroep van de burgemeester op de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2011 kan de burgemeester dan ook niet baten. Ook het gegeven dat [wederpartij] op dezelfde locatie een seksinrichting wil exploiteren, maakt niet dat [wederpartij] en [persoon] een samenwerking aangaan die een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Dat [wederpartij] de exploitatie van de seksinrichting ter plaatse wil voortzetten, wil niet zeggen dat [persoon] om die reden zeggenschap heeft over de bedrijfsvoering van de seksinrichting. [wederpartij] heeft weliswaar, vlak nadat de burgemeester het voornemen heeft geuit om de vergunning van [persoon] in te trekken, een aanvraag ingediend, maar [wederpartij] heeft onweersproken gesteld dat hij al langer van plan was om de exploitatie van [persoon] over te nemen. Het was [wederpartij] bekend dat [persoon] met pensioen zou gaan en daarom heeft hij de aanvraag ingediend. Op de zitting heeft hij daaraan toegevoegd dat hij al in december 2019 bezig was om de aanvraag voor de exploitatievergunning voor te bereiden en op dat moment ook de huurovereenkomst met [persoon] heeft gesloten.”.

De Afdeling is bovendien heel stelling in hoe het nu verder moet:

9.       De Afdeling is van oordeel is dat de burgemeester niet meer kan motiveren dat een zakelijk samenwerkingsverband tussen [wederpartij] en [persoon] bestaat.”.

Belang voor de Bibob-praktijk

De recente uitspraken van de Afdeling laten zien dat het begrip zakelijk samenwerkingsverband aanzienlijk strikter wordt uitgelegd dan voorheen.

Voor gemeenten en het LBB betekent dit dat zij een veel zwaardere motiveringsplicht hebben wanneer zij een Bibob-weigering willen baseren op een zakelijk samenwerkingsverband. Enkel een huurrelatie, het gebruik van dezelfde handelsnaam en/of een kortdurende samenwerking is niet langer toereikend.

Daarmee lijkt de Afdeling de ruimte voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband – zonder nadere uitleg – aanzienlijk te hebben beperkt.