Nieuwsbrief

Zijn appartementsgerechtigden eigenaar als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928?

5 augustus 2016

Met deze nieuwsbrief maken wij je attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2025). In deze uitspraak beantwoordt de Afdeling de vraag of appartementsgerechtigden eigenaar zijn als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928.

Essentie

Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Nsw vloeit voort dat als eigenaar in de zin van die wet wordt aangemerkt de eigenaar van een onroerende zaak die niet is bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik, de vruchtgebruiker en - onder bepaalde voorwaarden - de erfpachter. Appartementsgerechtigden hebben, evenals mede-eigenaren, tezamen de onverdeelde eigendom van een onroerende zaak met daarnaast een exclusief gebruiksrecht van bepaalde gedeelten van de grond en het gebouw. De appartementsgerechtigden zijn gezamenlijk eigenaar in de zin van de Nsw.

Nader bekeken 

Het landgoed kent onder meer een landhuis, koetshuis, park en bos. Het landhuis is onderverdeeld in vier appartementen en het koetshuis in twee appartementen. Elk van de appartementsrechten omvat een/zesde aandeel in het landgoed en de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van één van de zes appartementen met bijbehorende tuin. Het landgoed, dat sinds 1990 gerangschikt is, is sinds 2005 onderverdeeld in appartementsrechten. De bewoners van de appartementen hebben in 2005 het verzoek gedaan om de rangschikking van het landgoed onder de Nsw te handhaven. Dit verzoek is bij besluit van 15 juli 2008 gehonoreerd. 

In 2009 is vervolgens een appartementsrecht overgedragen aan derden. De nieuwe eigenaren van het appartementsrecht hebben de staatsecretarissen wederom verzocht om handhaving van de rangschikking. Dit verzoek is niet gehonoreerd. De staatsecretarissen hebben bij besluit van 28 mei 2014 het besluit tot handhaving van 15 juli 2008 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 juni 2007. In dat besluit is toegelicht dat de appartementsgerechtigden met de wijziging van de Nsw op 1 juni 2007 niet meer onder de definitie van eigenaar vallen als bedoeld in artikel 1 van de Nsw. Gezamenlijke rangschikkingen zijn daarom volgens de staatsecretarissen niet meer mogelijk. 

De Afdeling volgt het betoog van de staatssecretarissen niet en overweegt:

"Anders dan de staatssecretarissen betogen, kan uit de omstandigheid dat de wetgever de vruchtgebruiker en de erfpachter wel en de appartementsgerechtigde niet uitdrukkelijk onder de definitie van eigenaar in de Nsw heeft gebracht, niet worden afgeleid dat een appartementsgerechtigde buiten die definitie valt. In tegenstelling tot een appartementsgerechtigde hebben een vruchtgebruiker en een erfpachter een beperkt zakelijk recht op een onroerende zaak. Om voor de toepassing van de Nsw als eigenaar te kunnen worden aangemerkt, is daarom noodzakelijk dat zij in de Nsw als zodanig worden aangewezen.

Daarnaast kan ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wetswijziging in 2007 niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om appartementsgerechtigden niet als eigenaar in de zin van de Nsw aan te merken. Uit die totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat de wetgever uitsluitend de mogelijkheid tot gezamenlijke rangschikking van twee aan elkaar grenzende onroerende zaken heeft willen beëindigen. Reden daarvoor was dat gezamenlijke rangschikkingen in de praktijk op onbedoelde wijze werden gebruikt, doordat gezamenlijke rangschikking werd gevraagd van een relatief klein perceel met een naastgelegen landgoed. Het kleine perceel hoefde nauwelijks aan de eisen voor rangschikking te voldoen en leverde aldus niet of nauwelijks een bijdrage aan het creëren en in stand houden van natuurschoon, terwijl de eigenaar van dat perceel wel aanspraak had op de fiscale faciliteiten uit de Nsw (Kamerstukken II 2005/06, 30 306, nr. 3, blz. 10 en Kamerstukken II 1999/00, nr. 3, blz. 27).

Dat dergelijk onbedoeld gebruik zich ook kan voordoen wanneer een landgoed in appartementsrechten wordt gesplitst die een exclusief gebruiksrecht op een deel van het landgoed geven, is onvoldoende voor het oordeel dat de bewoners niet als eigenaar in de zin van de Nsw kunnen worden beschouwd. De bewoners hebben, afgezien van het exclusieve gebruik van een appartement met bijbehorende tuin, geen exclusief gebruiksrecht op de gronden van het landgoed. Het risico op onbedoeld gebruik van de rangschikking doet zich in dit geval dan ook niet voor.".

Printen / opslaan als pdf