Nieuwsbrief

Project in twee gemeenten: welke gemeente bevoegd vvgb af te geven?

6 september 2016

In de uitspraak van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2327) gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: "de Afdeling") in op de vraag welke gemeente bevoegd is te beslissen over de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen (hierna: "vvgb") wanneer het project in twee gemeenten wordt gerealiseerd. Ook wordt ingegaan op het relativiteitsvereiste in relatie tot art. 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: "Bor")

Essentie

Voor de beantwoording van de vraag welke gemeenteraad bevoegd is te beslissen over de afgifte van een vvgb, is niet de ligging van de inrichting, maar de ligging van het project waarvoor omgevingsvergunning wordt aangevraagd doorslaggevend. Hierbij moeten alle activiteiten die samen het project vormen, meegenomen worden. 

Art. 6:5, eerste lid, van het Bor bevat een bevoegdheidsverdeling ten aanzien van de afgifte van een vvgb die is vereist voor een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik. Wanneer een belanghebbende zich met succes kan beroepen op een materiële norm van een goede ruimtelijke ordening, kan het relativiteitsvereiste hem niet worden tegengeworpen ten aanzien van de bevoegdheidsregeling in art. 6.5, eerste lid, van het Bor. 

Nader bekeken

Het college van gedeputeerde staten (hierna: "GS") heeft een omgevingsvergunning om te bouwen, planologisch strijdig gebruik en milieu verleend voor een project dat ziet op de uitbreiding van een inrichting. De inrichting is gedeeltelijk in de gemeente Roosendaal en gedeeltelijk in de gemeente Bergen op Zoom gelegen. Op grond van art. 6.5, eerste lid, van het Bor hebben GS voor de omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik een vvgb nodig van de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd. Alleen de raad van de gemeente Roosendaal heeft een vvgb afgegeven. De vraag die nu voorligt, is welke gemeenteraad bevoegd is te beslissen over de afgifte van een vvgb.

De inrichting is voor het grootste deel gelegen in de gemeente Roosendaal en dit zal na vergunningverlening ook het geval zijn. De Afdeling oordeelt dat niet de ligging van de inrichting, maar de ligging van het project waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd doorslaggevend is. Hierbij moeten alle activiteiten die samen het project vormen meegenomen worden. De uitbreiding van de inrichting omvat in dit geval de activiteit bouwen, planologisch strijdig gebruik en milieu. 

De Afdeling overweegt:

"Uit vorenstaande volgt dat de verschillende activiteiten van het project in beide gemeenten worden uitgevoerd. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de activiteit afwijken van het bestemmingsplan, zijnde de activiteit waarop de verklaring van geen bedenkingen betrekking heeft, in hoofdzaak zal worden uitgevoerd op het grondgebied van Bergen op Zoom, terecht grond gezien voor het oordeel dat wat betreft de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd in Bergen op Zoom. Anders dan het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal en [appellante sub 4] hebben gesteld, leidt deze uitleg van de rechtbank niet tot een wisselend bevoegd gezag inzake de vergunningverlening, al naar gelang het project. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat daarvan geen sprake zal zijn, nu artikel 6.5, eerste lid, van het Bor uitsluitend ziet op de bevoegdheid inzake de beslissing omtrent een verklaring van geen bedenkingen en het college van gedeputeerde staten, ongeacht de ligging van de inrichting, het bevoegd gezag zal blijven wat betreft de verlening van de omgevingsvergunning.

De rechtbank heeft gelet op vorenstaande dan ook terecht overwogen dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte heeft verzuimd de raad van de gemeente Bergen op Zoom te vragen een verklaring van geen bedenkingen af te geven."

Verder wordt aangevoerd dat de in art. 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde procedurele bepaling niet strekt tot bescherming van de belangen van de stichtingen en andere. De afgifte van een vvgb is, zo wordt aangevoerd, een procedurebeslissing ter voorbereiding van een besluit, die gelet op art. 6:3 van de Awb niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. 

De Afdeling oordeelt als volgt: 

"Artikel 6.5, eerste lid, van het Bor bevat een regeling omtrent de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van de afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, die is vereist alvorens omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, kan worden verleend. Nu de stichtingen en andere ook beroepsgronden hebben aangevoerd die betrekking hebben op de materiële norm van een goede ruimtelijke ordening welke hun eigen belangen betreffen, ten aanzien waarvan hen artikel 8:69a van de Awb niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, neergelegde bevoegdheidsregeling kennelijk niet ziet op bescherming van hun belangen."

Bovenstaande uitspraak is ook van betekenis voor de bevoegdheid tot verlening van een omgevingsvergunning. Artikel 2.4 van de Wabo bepaalt namelijk dat de omgevingsvergunning verleend dient te worden door burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd. 


Printen / opslaan als pdf