Nieuwsbrief

Exploot als buitenwettelijke stuitingshandeling

8 augustus 2016

In de uitspraak van 27 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2087) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: "de Afdeling") staat de vraag centraal of het exploot, gelet op de omstandigheden in dit geval, aangemerkt kan worden als een stuitingshandeling als bedoeld in art. 4:105, eerste lid, en art. 4:106 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: "Awb"). 

Essentie

De Afdeling nuanceert de lijn met betrekking tot de limitatieve wettelijke stuitingshandelingen. Onder omstandigheden kan een exploot gelijk gesteld worden met een stuitingshandeling als bedoeld in art. 4:105, eerste lid, en art. 4:106 van de Awb. 

Nader bekeken

Het college van burgemeester en wethouders (hierna: "het college") heeft een last onder dwangsom opgelegd aan appellante om maatregelen te treffen ten aanzien van een pand. Bij exploot heeft de gemeente aangezegd dat zij onverkort aanspraak maakt op de daarin genoemde verbeurde dwangsommen en dat hiermee de verjaring van deze dwangsommen is gestuit. 

Na het instellen van beroep stelt appellante dat zij geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep, omdat het college niet meer bevoegd is om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan door verjaring van deze bevoegdheid. Appellante voert aan dat het college niet binnen de verjaringstermijn van één jaar een stuitingshandeling als bedoeld in art. 4:105, eerste lid, en art. 4:106 van de Awb heeft verricht. 

Het college stelt zich op het standpunt dat tijdig een stuitingshandeling is verricht door betekening van een exploot. Deze betekening betreft volgens het college een daad van rechtsvervolging. Indien deze betekening geen daad van rechtsvervolging betreft, dient de betekening van het exploot toch als een stuitingshandeling te worden aangemerkt, omdat het niet mogelijk was om op een andere manier de verjaring te stuiten, aangezien al van de mogelijkheden zoals de aanmaning en uitvaardiging van een dwangbevel gebruik was gemaakt. 

De Afdeling oordeelt als volgt: 

"De hiervoor beschreven aanzegging is een mededeling waarbij de gemeente zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt. Een dergelijke mededeling kan naar het oordeel van de Afdeling niet als een daad van rechtsvervolging worden beschouwd. Steun voor dit oordeel kan worden gevonden in artikel 4:107 van de Awb waarin alleen de schuldeiser van een bestuursorgaan de mogelijkheid wordt gegeven om de verjaring ook te stuiten door een dergelijke mededeling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (memorie van toelichting, Kamerstukken II, 29702, nr. 3, blz. 57) blijkt dat het in de rede ligt dat een bestuursorgaan als schuldeiser de verjaring niet kan stuiten door een schriftelijke mededeling waarin het zich ondubbelzinnnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 4:107 is dan ook niet van toepassing als de schuldeiser een bestuursorgaan is. Voorts kan daarvoor steun worden gevonden in de omstandigheid dat een dergelijke mededeling een stuitingshandeling betreft die is vermeld in artikel 317 van Boek 3 van het BW, terwijl in artikel 4:105, eerste lid, van de Awb uitsluitend artikel 316 van Boek 3 van het BW van overeenkomstige toepassing is verklaard.

De Afdeling ziet echter aanleiding om de aanzegging in dit geval gelijk te stellen met een stuitingshandeling als bedoeld in de artikelen 4:105, eerste lid, en 4:106 van de Awb. Aan [appellante] zijn op de eerder vermelde data aanmaningen verzonden, waarin zij is gewaarschuwd dat de dwangsommen bij dwangbevel worden ingevorderd en dat de kosten daarvan op haar worden verhaald indien zij niet alsnog binnen twee weken de dwangsommen betaalt. Voorts zijn op de eerder vermelde data dwangbevelen betekend waarbij [appellante] tevens is gewezen op de tenuitvoerlegging van die dwangbevelen. Verder is op de eerder vermelde data beslag gelegd op het pand Zeereep 4. Verder acht de Afdeling van belang dat uit de aanzegging onmiskenbaar blijkt dat het college niet berust in het niet betalen van de schuld. Het ontbreken van een termijn om te betalen en een waarschuwing over het treffen van invorderingsmaatregelen in de aanzegging leidt in dit geval evenmin tot strijd met de rechtszekerheid. [appellante] heeft immers eerder de gelegenheid gekregen om de dwangsommen alsnog te betalen en heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Ook was zij al eerder gewaarschuwd dat invorderingsmaatregelen getroffen zouden worden en de kosten daarvan zouden worden verhaald. Van het college mocht onder de hiervoor vermelde omstandigheden niet worden gevergd opnieuw een aanmaning overeenkomstig artikel 4:112 van de Awb te versturen."

Het exploot is dus, gezien de omstandigheden in dit concrete geval, gelijk te stellen met een stuitingshandeling als bedoeld in art. 4:105, eerste lid, en art. 4:106 van de Awb. Op de datum van betekening van het exploot is om deze reden een nieuwe verjaringstermijn van één jaar ingegaan. 


Printen / opslaan als pdf