Nieuwsbrief

Intrekking tijdelijk niet gebruikte omgevingsvergunning

19 juli 2016

Met deze nieuwsbrief maken wij u attent op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: "de Afdeling") van 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1917). In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden ingetrokken op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo indien er 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, maar na die periode van 26 weken wèl bouwwerkzaamheden zijn verricht. 

Essentie

Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo kan niet worden afgeleid dat de periode van 26 weken direct moet voorafgaan aan het besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning. De omstandigheid dat nà het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking nog handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, is evenwel een omstandigheid die betrokken dient te worden bij de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de intrekking van de vergunning en de belangenafweging die in dat kader moet worden gemaakt.

Nader bekeken

In deze zaak had het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haaren (hierna: "het college") op 14 oktober 2014 diverse omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen ingetrokken, omdat de bouwwerkzaamheden volgens het college te lang en te vaak stillagen. Meer in het bijzonder was er op 2 augustus 2013, dus meer dan een jaar vóór de intrekkingsbesluiten, een periode van 26 weken verstreken waarin geen handelingen waren verricht met gebruikmaking van de vergunningen als bedoeld in 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan intrekken voor zover gedurende 26 weken (onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn) geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. 

Appellanten stelden in beroep dat de bouwwerkzaamheden recent niet meer dan 26 weken hadden stilgelegen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten gegrond en overwoog dat het college inderdaad niet had aangetoond dat ten tijde van de intrekkingsbesluiten 26 weken waren verstreken waarin geen bouwwerkzaamheden waren verricht. Gelet hierop waren de intrekkingsbesluiten onzorgvuldig voorbereid, aldus de rechtbank.

Bij de Afdeling lag de vraag voor of de rechtbank artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo in zoverre goed had toegepast. De Afdeling overwoog ten aanzien van dit artikel in rechtsoverweging 7.2 van haar uitspraak het volgende:

"(…) 7.2. Naar het oordeel van de Afdeling was het college op 2 augustus 2013 bevoegd om over te gaan tot intrekking tot de verleende omgevingsvergunningen voor het bouwen, aangezien op dat moment is vastgesteld dat een periode van 26 weken was verstreken waarin geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen. De rechtbank heeft op zichzelf terecht overwogen dat uit de controle op 18 juni 2014 niet volgt dat een periode van 26 weken is verstreken waarin geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen, omdat op 4 april 2014 nog is geconstateerd dat werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dit laat echter onverlet dat het college vanaf 2 augustus 2013 bevoegd was tot intrekking van de verleende omgevingsvergunningen. Uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, aanhef onder a, van de Wabo kan niet worden afgeleid dat de periode van 26 weken direct moet voorafgaan aan het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning. De omstandigheid dat na het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking nog handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunningen, is een omstandigheid die betrokken dient te worden bij de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de intrekking van de vergunningen en de belangenafweging die in dat kader moet worden gemaakt.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet vast staat dat het college bevoegd was om de omgevingsvergunningen voor het bouwen van de paardenstal in te trekken.

Het betoog slaagt. (…)". (onderstrepingen mijnerzijds, JvG)

Uit bovenstaande rechtsoverweging volgt, anders dan de rechtbank meent, dat uit de tekst van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo niet kan worden afgeleid dat de periode van 26 weken direct moet voorafgaan aan het besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning. 

Uit bovenstaande rechtsoverweging volgt echter ook dat de omstandigheid dat nà het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking nog handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, een omstandigheid is die betrokken dient te worden bij de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de intrekking van de vergunning en de belangenafweging die in dat kader moet worden gemaakt. Voor wat betreft de handelingen die in deze zaak zijn verricht na het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking (dus na 2 augustus 2013), overwoog de Afdeling in rechtsoverweging 9.3 van haar uitspraak het volgende:

"(…) 9.3. De Afdeling is met het college van oordeel dat, hoewel op 30 januari 2014 en 4 april 2014 enige werkzaamheden met gebruikmaking van de omgevingsvergunningen hebben plaatsgevonden, in het geheel niet aan de afbouwplanning is voldaan. De Afdeling is met het college van oordeel dat niet aannemelijk is dat [appellant sub 2] en anderen alsnog binnen korte termijn gebruik zullen maken van de verleende omgevingsvergunningen teneinde de afbouw van het bouwplan te realiseren. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de werkzaamheden, zoals het college heeft gesteld, fragmentarisch zijn en dat niet structureel gevolg wordt gegeven aan de afbouwplanningen. Gelet op de periode waarin [appellant sub 2] en anderen geen gebruik hebben gemaakt van de verleende vergunningen in samenhang gezien met de herhaaldelijke onderbrekingen van de werkzaamheden, in aanmerking genomen dat het college [appellant sub 2] en anderen uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld een concreet plan met betrekking tot de vergunde stal in te dienen en dat [appellant sub 2] en anderen dat plan niet hebben uitgevoerd, kon het college ter voorkoming van het ontstaan van "slapende omgevingsvergunningen" in redelijkheid overgaan tot intrekking van de hier aan de orde zijnde omgevingsvergunningen.

De stelling van [appellant sub 2] en anderen dat zij voornemens zijn om de locatie te verkopen en dat de koper de stal zal afbouwen, geeft geen grond voor het oordeel dat de omgevingsvergunningen niet in redelijkheid door het college mochten worden ingetrokken. Voor zover het college vóór het besluit van 14 oktober 2014 op de hoogte was van het voornemen om de locatie te verkopen - hetgeen het college heeft weersproken - hebben [appellant sub 2] en anderen het college als gesteld verzocht om medewerking te verlenen aan een bestemmingswijziging van de locatie, waarmee naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk is gemaakt dat alsnog binnen korte termijn gebruik zou worden gemaakt van de verleende omgevingsvergunningen.

Het betoog faalt. (…)". (onderstreping mijnerzijds, JvG)

In deze zaak waren de na 2 augustus 2013 verrichte werkzaamheden fragmentarisch en werd er niet structureel gevolg gegeven aan de afbouwplanningen. Gelet hierop was niet aannemelijk dat er op korte termijn gebruik zou worden gemaakt van de verleende omgevingsvergunningen teneinde de afbouw te realiseren. Volgens de Afdeling kon het college derhalve in redelijkheid overgaan tot intrekking van de omgevingsvergunningen, ondanks dat na het ontstaan van de bevoegdheid tot intrekking nog handelingen waren verricht met gebruikmaking van de vergunningen.

Printen / opslaan als pdf