Nieuwsbrief

Drank- en horecawet (Dhw) uitleg van het begrip slijtersbedrijf

29 juli 2015

Hoewel de Drank- en horecawet (Dhw) en haar voorlopers al ruim een eeuw oud zijn roept deze vandaag de dag nog steeds vragen op. Eén van die vragen spitst zich toe op de basisbegrippen "horecabedrijf" en "slijtersbedrijf" uit deze wet. De verklaring hiervoor is dat deze bedrijfsvormen in de loop van de tijd een transformatie hebben ondergaan. Het traditionele horecabedrijf (het café en restaurant), is al lang niet meer de enige verschijningsvorm. Snackbars, afhaalchinezen en shoarma/pizzeria's kennen een heel andere formule, waarbij bezoekers meestal kunnen kiezen uit consumptie ter plaatse of "meenemen". Ook dit zijn volgens de Dhw horecabedrijven1. Bij het slijtersbedrijf is dat niet anders. Ook dat heeft zich inmiddels doorontwikkeld. In deze nieuwsbrief besteed ik aandacht aan een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:3890) waarin het begrip slijtersbedrijf wordt toegepast op een drankexpediteur.

Essentie

Een bedrijf dat zich uitsluitend bezig houdt met het als expediteur, in opdracht van haar opdrachtgevers, door het inschakelen van vervoerders, pakketten met drank (laten) bezorgen aan de koper, oefent geen slijtersbedrijf uit in de zin van de Dhw. Van belang is dat in het bedrijf geen voor het publiek zichtbare, van etiketten voorziene drankvoorraad aanwezig is en dat er geen slijtlokaliteit bestaat waar particulieren drank kunnen uitzoeken, waar drank kan worden ge- of verkocht (verstrekt) en waar klanten zich kunnen laten voorlichten door een deskundige slijter.

Nader bekeken

Het bedrijf dat in deze zaak centraal staat is een expediteur die in opdracht van haar opdrachtgevers, door het inschakelen van vervoerders, pakketten alcoholhoudende drank laat bezorgen aan het adres van geadresseerden. Het bedrijf verwerkt een zeer grote hoeveelheid pakketten (tot wel 100.000 per nacht) die arriveren in een depot in Best. De medewerkers van het bedrijf en de vervoerder zijn niet op de hoogte van de inhoud van de pakketten. Het bedrijf krijgt voor haar werkzaamheden van haar opdrachtgevers het verzendtarief betaald.

Vanwege een handhavingsverzoek van de eisende partij, is het bedrijf in deze zaak in een juridische strijd verwikkeld geraakt. De eisende partij – uit de uitspraak volgt niet wat diens belang is – stelt dat het bedrijf zonder de daarvoor vereiste vergunning een slijtersbedrijf uitoefent en verzoekt de burgemeester van de gemeente Best om de Dhw te handhaven. Aardig is dat de burgemeester het handhavingsverzoek eerst doorstuurt naar de burgemeester van Eindhoven onder de mededeling aan eiseres dat hij niet bevoegd is tot handhavend optreden, omdat de levering van alcoholhoudende drank door het bedrijf in Eindhoven plaatsvond. Hoe de burgemeester van Eindhoven hierop heeft gereageerd volgt niet uit de uitspraak, maar de procedure wordt uiteindelijk toch gevoerd door de burgemeester van Best. Deze besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek, omdat volgens hem geen sprake is van een slijtersbedrijf in de zin van de Dhw. Dit besluit wordt in bezwaar gehandhaafd.

In beroep licht de eisende partij toe dat zij op 28 mei 2014 vanuit Nederland een fles sterke drank heeft besteld via de website www.uvinum.nl. Het bedrijf achter deze website, Uvinum, is gevestigd in Spanje. De Spaanse logistieke onderneming Seur heeft het pakket met de bestelde fles drank bezorgd bij het bedrijf dat door de eisende partij is aangeschreven. Op 2 juni 2014 om 15.03 uur is het pakket in het depot van het bedrijf in Best binnengekomen, waarna het pakket op 3 juni 2014 om 10.14 uur door of in opdracht van bedrijf is bezorgd op het adres van het kantoor van de eisende, aan de Kanaaldijk-Noord 1 te Eindhoven. Hierop heeft de eisende partij de burgemeester van Best om handhaving verzocht. De rechtbank buigt zich over de vraag of de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf geen slijtersbedrijf in de zin van de Dhw uitoefende en hij dus niet bevoegd was handhavend op te treden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend aan de hand van de Dhw en (o.a.) de daarin in artikel 1 lid 1 gegeven definities van het slijtersbedrijf en slijtlokaliteit, alsmede aan de hand van de wetsgeschiedenis. Op die wetsgeschiedenis gaat de rechtbank uitvoerig in. Met name de navolgende passages daaruit springen in het oog.

"(ten aanzien van artikel 3, lid 3, van het ontwerp van Wet)

De in dit lid vervatte omschrijving van het begrip „slijtersbedrijf" brengt mede, dat een ieder, die bedrijfsmatig aan particulieren sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse verstrekt, daartoe op grond van het eerste lid, onder b, in het bezit moet zijn van een vergunning. Een „grossier", die mede aan particulieren levert, oefent in zoverre het slijtersbedrijf uit en heeft daartoe een vergunning nodig. Dit volgt rechtstreeks uit de gegeven omschrijving. Een pagina 3

opsomming, daarnaast, van de categorieën afnemers, aan wie hij zonder vergunning mag leveren, is, in het licht van het bovenstaande, overbodig.

(…)

Het geven van een aanwijzing betreffende alcoholpercentage bij verkoop zowel van zwak-alcoholische als van sterke drank behoort naar de mening van de ondergetekenden tot de normale service, welke bij het verstrekken van drank aan het publiek dient te worden geboden. Voor de veronderstelling, dat de vraag naar sterke drank met het hoogste alcoholpercentage zal toenemen, omdat daarmede de beste kwaliteit zou worden verkregen, zijn naar de mening van ondergetekenden onvoldoende indicaties aanwezig. Het is immers algemeen bekend te achten, dat de kwaliteit van de drank behalve van het alcoholpercentage van vele andere factoren afhankelijk is. Bovendien kunnen de kopers van drank van hun leveranciers, gezien de aan dezen gestelde eisen van vakbekwaamheid, ter zake de nodige deskundige voorlichting ontvangen.

(Kamerstukken II 1962-1963, 6811, nr.5, MvA, p. 7-9)"

De rechtbank leidt hieruit in rechtsoverweging 5 van de uitspraak af dat het door de wetgever beoogde slijtersbedrijf dient te worden uitgeoefend in een inrichting, waar voorraad aanwezig is waaruit particulieren, indien gewenst na advies van de ter zake deskundige slijter, een keuze kunnen maken uit de van etiketten voorziene flessen, waarna uiteindelijk de sterke drank wordt verkocht (verstrekt).

Gelet op de gegeven feiten stelt de rechtbank vervolgens vast dat bij het bedrijf dat in deze zaak centraal staat geen voor het publiek zichtbare, van etiketten voorziene drankvoorraad aanwezig is. De eventueel aanwezige flessen sterke drank bevinden zich in pakketten en zijn als zodanig voor de medewerkers van het bedrijf niet herkenbaar. Ook is er geen slijtlokaliteit waar particulieren drank kunnen uitzoeken, waar drank kan worden ge- of verkocht (verstrekt) en/of waar klanten zich kunnen laten voorlichten door een deskundige slijter. De rechtbank concludeert dat de activiteiten van het bedrijf "in niets lijken op de vergunningplichtige activiteiten die worden ontplooid door het slijtersbedrijf als bedoeld door de wetgever". Voor de volledigheid voegt de rechtbank hier nog aan toe dat de feitelijke werkzaamheden van het bedrijf – het (doen) vervoeren van pakketten – niet zijn aan te merken als die van een grossier, die optreedt als handelaar tussen de fabrikant of importeur en de detaillist. Volgens de rechtbank oefent het bedrijf dan ook geen slijtersbedrijf uit in de zin van de Dhw en heeft de burgemeester terecht afgezien van handhavend optreden.

De uitspraak kan nog in hoger beroep worden voorgelegd aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ik zie echter vooralsnog geen reden waarom deze anders tegen de zaak zou aankijken.

1Dit geldt alleen voor zover er ook alcohol wordt verstrekt en consumptie ter plaatse wordt aangeboden. Kan er alleen eten en (non-)alcoholische drank worden besteld om mee te nemen of om thuis te laten bezorgen, dan is er in beginsel sprake van detailhandel.

Printen / opslaan als pdf