Nieuwsbrief

Geen vergunning van rechtswege na vernietiging bestuursrechter

29 oktober 2015

Met deze nieuwsbrief brengen wij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: "de Afdeling") van 21 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3255, onder de aandacht. In deze uitspraak staat de vraag centraal of een omgevingsvergunning van rechtswege ("lex silencio positivo") is verleend, als na vernietiging van een eerdere vergunning door de bestuursrechter, niet binnen de volgens de reguliere voorbereidingsprocedure geldende beslistermijn een nieuw besluit is genomen.

Essentie

Het niet nakomen van de verplichting om binnen de termijn voor de reguliere voorbereidingsprocedure een nieuw besluit te nemen nadat de bestuursrechter een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, leidt niet overeenkomstig paragraaf 4.1.3.3 van de Awb tot een van rechtswege verleend besluit.

Nader bekeken

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: "burgemeester en wethouders") heeft een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: "Wabo"). Volgens burgemeester en wethouders is – ondanks dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan – de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, omdat met toepassing van artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 2, van de Wabo een omgevingsvergunning krachtens de kruimelgevallenregeling (artikel 4 van bijlage II behorend tot het Besluit omgevingsrecht) kan worden verleend.

De Afdeling vernietigt vervolgens deze omgevingsvergunning en draagt burgemeester en wethouders op om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen binnen de beslistermijn die gold bij de primaire besluitvorming (vgl. ABRvS 23 februari 2005, zaaknummer 200404709/1). Dit betrof de in artikel 3.9, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: "Awb") genoemde termijn voor de reguliere voorbereidingsprocedure. Nadat burgemeester en wethouders niet binnen deze termijn op de aanvraag hebben beslist, gaan zij er vanuit dat op grond van artikel 3.9, derde lid, van de Wabo aan de aanvrager van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend. Dit wordt schriftelijk aan de aanvrager/vergunninghouder medegedeeld. Twee appelanten (vermoedelijk buren) zijn het hiermee niet eens en stellen uiteindelijk hoger beroep in bij de Afdeling.

De Afdeling oordeelt dat burgemeester en wethouders ten onrechte hebben geoordeeld dat een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend. Hiertoe overweegt de Afdeling: "steun voor dit standpunt wordt gevonden in de memorie van toelichting bij paragraaf 4.1.3.3 van de Awb 'Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen', waaruit volgt dat het niet nakomen van de verplichting om een nieuw besluit te nemen nadat de bestuursrechter een besluit geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd niet overeenkomstig paragraaf 4.1.3.3 leidt tot een van rechtswege verleend besluit."

De Afdeling gaat vervolgens nader in op haar in de memorie van toelichting aangehaalde uitspraak van 23 februari 2005, zaaknummer 200404709/1 en overweegt:

"In de memorie van toelichting wordt in dit verband verwezen naar de uitspraak van 23 februari 2005 in zaak nr. 200404709/1. In deze uitspraak is er net als in de hiervoor genoemde uitspraak van 2 maart 2011 vanuit gegaan dat het niet nakomen door het college van gedeputeerde staten van de verplichting om tijdig een nieuw goedkeuringsbesluit te nemen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening na de vernietiging van een eerder besluit door de Afdeling, niet overeenkomstig artikel 10:31, vierde lid, van de Awb (oud) leidt tot een goedkeuring van rechtswege na het verstrijken van de termijn. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat de wetgever niet kan worden geacht na de vernietiging van een eerder goedkeuringsbesluit als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een fictieve goedkeuring te hebben willen doen ontstaan op grond van het enkele feit dat het college van gedeputeerde staten niet binnen de wettelijke termijn een nieuw besluit heeft genomen. Anders dan waarvan het college uitgaat kon op grond van artikel 10:31, vierde lid, van de Awb (oud) wel van rechtswege goedkeuring worden verleend als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wanneer het college van gedeputeerde staten niet tijdig een goedkeuringsbesluit nam.

De wetgever heeft door in de memorie van toelichting bij paragraaf 4.1.3.3 van de Awb te verwijzen naar de uitspraak van 23 februari 2005 nadrukkelijk beoogd dat het in de jurisprudentie van de Afdeling gehanteerde uitgangspunt dat niet van rechtswege goedkeuring geacht kan zijn verleend wanneer na de vernietiging van een eerder goedkeuringsbesluit door de bestuursrechter niet tijdig een nieuw besluit wordt genomen, ook geldt wanneer de vraag aan de orde is of op grond van artikel 4.20b, eerste lid, van de Awb, van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend."

De Afdeling komt gelet hierop tot de conclusie dat geen vergunning van rechtswege is verleend en er dus geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb waartegen beroep kan worden ingesteld. Daarom verklaart zij zichzelf onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Printen / opslaan als pdf