publicatie

    Artikel 13b Opiumwet. Sluiting woning. Tijdsverloop. Resterende tijdsduur. Ex tunc. Noodzakelijkheid en evenredigheid. (Gst. 2021/70)

    Franc Pommer
    Franc PommerPublicatiedatum: 8 juni 2021Laatste update: 8 juni 2021
    Artikel 13b Opiumwet. Sluiting woning. Tijdsverloop. Resterende tijdsduur. Ex tunc. Noodzakelijkheid en evenredigheid. (Gst. 2021/70)

    Artikel 13b Opiumwet. Sluiting woning. Tijdsverloop. Resterende tijdsduur. Ex tunc. Noodzakelijkheid en evenredigheid. Toetsing bestuursrechter. Evenredigheid. Noodzaak. (Rotterdam)

    Met haar oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd in hoeverre het doel van de sluiting, het herstel van de openbare orde door een sluiting van zes maanden, nog kan worden gerealiseerd met een resterende sluitingsperiode van iets meer dan een maand, is de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling buiten de omvang van het geding getreden. Appellant sub 2 heeft in beroep wat het verstrijken van de tijd betreft slechts betoogd dat het onredelijk lange tijdsverloop sinds het aantreffen van de drugs niet in de belangenafweging was meegenomen. De vraag of herstel van openbare orde nog nodig zou zijn, heeft hij niet gerelateerd aan de resterende sluitingstijd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Daarnaast heeft de burgemeester ter zitting toegelicht dat de termijn voor sluiting van de woning is aangevangen op 31 januari 2019 en dat er – hoewel de woning tussentijds niet feitelijk was gesloten – ten tijde van het besluit op bezwaar pas 3,5 maand van die termijn was verstreken en er dus nog 2,5 maand resteerde. De Afdeling stelt met de burgemeester vast dat de rechtbank ten onrechte het moment van de eigen uitspraak als referentie heeft genomen voor het vaststellen van een resterende sluitingsduur van ruim een maand. De bestuursrechter heeft daarmee ten onrechte niet de feiten beoordeeld naar het moment dat het besluit is genomen. Voor zover [appellant sub 2] in hoger beroep naar voren heeft gebracht dat de gevolgen van een sluiting, afgezet tegen de zeer korte duur en het (zeer) twijfelachtige effect daarvan, niet evenredig genoemd kunnen worden, overweegt de Afdeling dat ten tijde van het besluit op bezwaar feitelijk nog 2,5 maand resteerde waarin de woning kon worden gesloten. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het besluit toen nog, met het oog op het herstel van de openbare orde, zinvol kon worden uitgevoerd. Hij hoefde in de omstandigheid dat een korte sluitingstermijn resteerde geen aanleiding te zien om zijn besluit aan te passen

    Download publicatie

    Medium: ABRvS 22-07-2020, Gst. 2021/70