publicatie

    Boete. Ne bis in idem. Geen sprake van hetzelfde feit. Aansluiting bij strafrechtelijke rechtspraak. (AB 2021/293)

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 23 oktober 2021Laatste update: 3 november 2021
    Boete. Ne bis in idem. Geen sprake van hetzelfde feit. Aansluiting bij strafrechtelijke rechtspraak. (AB 2021/293)

    Artikel 5:43 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt, indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd. Beoordeeld moet daarom worden of hier sprake is van dezelfde overtreding. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel (Kamerstukken II 2003/2004, 29 702, nr. 3, blz. 136 e.v.) blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is dat voor de uitleg van het begrip “dezelfde overtreding” aansluiting wordt gezocht bij de strafrechtelijke rechtspraak. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102, 2.8 en 2.9) de maatstaf voor de beoordeling of sprake is van “hetzelfde feit” in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) verduidelijkt. Uit dit arrest blijkt dat bij de toetsing of sprake is van “hetzelfde feit” als relevante vergelijkingsfactoren moeten worden betrokken de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat de beantwoording van de vraag wat moet worden verstaan onder “hetzelfde feit” mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt niettemin als vuistregel dat een aanzienlijk verschil in de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van artikel 68 Sr.

    Toepassing van de hiervoor weergegeven maatstaf leidt tot de conclusie dat aan de primaire besluiten en het boetebesluit van 17 juni 2016 niet dezelfde overtreding als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb ten grondslag is gelegd. Bij het boetebesluit van 17 juni 2016 is aan appellante een boete van € 300,- opgelegd voor het niet op de juiste wijze vastleggen van vervoersgegevens met behulp van AGR/GPS. Daarnaast is aan appellante drie keer een boete opgelegd van € 300,- voor het niet naar waarheid opmaken van VDM’s en twee keer een boete van € 200,- voor het niet naar waarheid opmaken van een transportmelding. Bij de (later genomen) primaire besluiten zijn aan appellante boetes opgelegd, omdat zij er niet op heeft toegezien dat het vervoer van de dierlijke mest vergezeld ging van een geldig gezondheidscertificaat. Naar het oordeel van het College verschillen de in de onderscheiden boetebeschikkingen aan appellante verweten gedragingen te veel van elkaar om te kunnen spreken van “hetzelfde feit”. Anders dan bij de boetes op grond van de meststoffenwetgeving wordt appellante in dit geval niet verweten dat zij gegevens onjuist heeft geregistreerd, maar dat zij er niet op heeft toegezien dat bij het mesttransport een correct gezondheidscertificaat voorhanden was. Daarnaast strekt de meststoffenwetgeving tot bescherming van een ander belang dan Verordening (EU) 142/2011 en Verordening (EG) 1069/2009. De regels van de meststoffenwetgeving hebben betrekking op de doelmatige afvoer van mestoverschotten en de bescherming of verbetering van het milieu, terwijl Verordening (EU) 142/2011 en Verordening (EG) 1069/2009 voorschriften stellen ter bescherming van de volksgezondheid, diergezondheid en meer in het bijzonder de veiligheid van de voedsel- en voederketen. Bovendien zijn de boetes die op grond van de meststoffenwetgeving kunnen worden opgelegd aanzienlijk lager dan de maximale boetes die voor het overtreden van Verordening (EU) 142/2011 en Verordening (EG) 1069/2009 kunnen worden opgelegd. Ook dit wijst erop dat sprake is van andersoortige beboetbare gedragingen. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een eerdere beboeting wegens dezelfde overtreding als bedoeld in artikel 5:43 van de Awb.

    CBb 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:794

    Download publicatie

    Medium: CBb 27 juli 2021, AB 2021/293