publicatie

    Boete. Verbod van willekeur. Geen consistent uitvoeringsbeleid handhavingsregime. (AB 2021/315)

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 10 december 2021Laatste update: 10 december 2021
    Boete. Verbod van willekeur. Geen consistent uitvoeringsbeleid handhavingsregime. (AB 2021/315)

    Het College is van oordeel dat verweer iii) van de minister niet slaagt. Het handhaven van een boete, bij de berekening waarvan ten tijde van het uitbrengen van het boetevoornemen aan appellant op 10 april 2015 een niet-openbare (nauwkeurigheids)marge is toegepast, is niet in overeenstemming met de hierboven onder 5.1 geciteerde overweging 5.4 uit de uitspraak van het College van 18 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:653). Anders dan volgens genoemde overweging 5.4 vereist is, heeft appellant als gevolg van de toepassing van de niet-openbare (nauwkeurigheids)marge niet, voordat hem daadwerkelijk een boete werd opgelegd, een redelijke mogelijkheid gehad zich tegen het vermoeden van onregelmatige afvoer te verweren door de feiten te betwisten die aan de boete ten grondslag zijn gelegd en/of andere feiten te stellen — en bij betwisting aannemelijk te maken — die redelijke twijfel wekken aan de juistheid van dat vermoeden. De minister heeft miskend dat, zoals het College voorts in genoemde overweging 5.4 heeft overwogen, het in het kader van het voornemen openbaar zijn van de marges in deze omstandigheden zo fundamenteel van aard is, dat de schending van het verdedigingsbeginsel zoals gewaarborgd in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 6 van het EVRM door de afwezigheid van die openbaarheid niet meer kan worden hersteld in een later stadium van de procedure (bezwaar, beroep, hoger beroep), in gevallen waarin naar aanleiding van het voornemen of in bezwaar, beroep of hoger beroep een betoog van de veehouder voorligt waarmee deze de juistheid van de aan de boete ten grondslag gelegde vaststelling van de hoeveelheid stikstof en fosfaat in de mest bestrijdt.

    Het College stelt vast dat als gevolg van het herroepen van (ongeveer) 80% van de boetes en het niet standhouden van nog eens 7% van de boetes in verband met het niet slagen van verweer iii) (zie onder 6.4 en 6.5) er verschillen in handhavingsregime (zijn) ontstaan tussen veehouders die alleen afvoeren maar niet aanvoeren, veehouders die alleen aanvoeren, veehouders die zowel aan- als afvoeren, veehouders die forfaitair afvoeren, veehouders die niet forfaitair afvoeren en veehouders die al dan niet kunstmest aanvoeren en gebruiken. Deze verschillen zijn niet door de wetgever beoogd bij het tot stand brengen van het wettelijk systeem, integendeel. Het College is van oordeel dat hierdoor sprake is van een rechtens onaanvaardbare verscheidenheid in uitkomst die meebrengt dat de minister niet zonder in strijd te handelen met het verbod van willekeur de resterende 13% van de boetes kan handhaven. Dit kan onder deze omstandigheden niet meer worden gezien als uitkomst van een consistent uitvoeringsbeleid van het door de wetgever in het leven geroepen handhavingsregime.

    De rechtbank heeft ook de voor het kalenderjaar 2014 opgelegde boete ten onrechte in stand gelaten, nu de minister bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het opleggen (en handhaven) van een boete het verbod van willekeur heeft geschonden.

    CBb 27 juli 2021, ECLI:NL:CBB:2021:780

    Download publicatie

    Medium: CBb 27 juli 2021, AB 2021/315