publicatie

    Cautie. Geen cautieplicht bij schriftelijk opvragen van informatie. Aansluiting bij uitspraak grote kamer. (AB 2020/324)

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 19 september 2020Laatste update: 25 september 2020
    Cautie. Geen cautieplicht bij schriftelijk opvragen van informatie. Aansluiting bij uitspraak grote kamer. (AB 2020/324)

    Cautie. Schriftelijk opvragen van informatie door UWV is niet gelijk te stellen aan een verhoor, zodat geen cautieplicht geldt.

    In het algemeen geldt dat het schriftelijk opvragen van informatie niet gelijk kan worden gesteld aan een verhoor als hiervoor bedoeld in die zin dat een verhoor een situatie is van een mondelinge ondervraging, waarbij sprake is van een zekere druk. De cautie wil voorkomen dat de ondervraagde onder druk verklaringen aflegt, waarvan niet gezegd kan worden dat ze in vrijheid zijn afgelegd. Bij schriftelijke vragen is als regel geen sprake van een verhoor door het ontbreken van de directe confrontatie met de ondervrager. Dit is slechts anders indien in bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan, dat materieel sprake is van een verhoor. (Zie de parlementaire geschiedenis van artikel 5:10a van de Awb, Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 99). Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in 5.1.4 is geen sprake. De mededeling van het UWV in de brieven van 11 en 25 juli 2017 houdt immers in dat bij geen reactie op het verzoek om de gevraagde gegevens te verstrekken, het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld en dat dan de WW-uitkering vanaf 1 juli 2013 zal worden teruggevorderd. Deze mededeling behelst alleen informatie over wat het UWV in dat geval op grond van de artikelen 22a, eerste lid, aanhef en onder c, en 36 van de WW na afloop van de startperiode verplicht zou zijn te doen. Van beide brieven kan objectief bezien niet worden gezegd dat daarvan een zodanige druk tot antwoorden uitgaat, dat materieel sprake was van een verhoor. Uit 5.1.4 en 5.1.5 volgt dat geen sprake was van een verhoor als bedoeld in artikel 5:10a van de Awb, zodat de cautieplicht niet gold toen het UWV met de brieven van 11 en 25 juli 2017 om informatie verzocht. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat in de bedoelde brieven ten onrechte de cautie niet is gegeven en dat om die reden het bestreden besluit moet worden vernietigd en het primaire boetebesluit moet worden herroepen.

    CRvB 17 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1259

    Download publicatie

    Medium: CRvB 17 juni 2020, AB 2020/324