publicatie

    CBb 16 april 2019, AB 2019/361: Wilsafhankelijk materiaal. Geen schending art. 6 EVRM met inlichtenvordering als zodanig

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 16 april 2019Laatste update: 9 september 2019
    CBb 16 april 2019, AB 2019/361: Wilsafhankelijk materiaal. Geen schending art. 6 EVRM met inlichtenvordering als zodanig

    Artikel 6 EVRM staat niet in de weg aan opleggen bestuurlijke boetes. Inlichtingenvorderingen zonder clausulering leveren geen schending van artikel 6 EVRM op.

    Bij het wijzigingsbesluit van 23 mei 2018 heeft DNB niet langer aan de boetes ten grondslag gelegd dat appellanten onderdeel c van de opgelegde last niet hebben opgevolgd. Naar het oordeel van het College is DNB op grond van de geldende regelgeving bevoegd om aan appellanten een boete op te leggen wegens het niet (tijdig) verstrekken van de onder onderdeel a van de opgelegde lasten gevorderde inlichtingen en heeft DNB in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik gemaakt. De beroepsgrond van appellanten dat uit de uitspraak van het College van 10 januari 2018 volgt dat artikel 6 van het EVRM in de weg staat aan het opleggen van de bestuurlijke boetes slaagt niet. Het College wijst er op dat het College in zijn uitspraak van 10 januari 2018 heeft geoordeeld dat DNB artikel 6 van het EVRM heeft geschonden voor zover DNB ten aanzien van onderdeel c van de opgelegde lasten had nagelaten een restrictie op te nemen dat dat materiaal slechts zal worden gebruikt ten behoeve van het uitoefenen van het bestuurlijk toezicht en niet (mede) voor doeleinden van bestuurlijke beboeting of strafvervolging van appellanten. Uit deze uitspraak volgt derhalve niet dat DNB artikel 6 van het EVRM heeft geschonden met de inlichtingenvorderingen als zodanig. Ook anderszins ziet het College daarvoor geen aanknopingspunten. Voorts bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de gevorderde inlichtingen als geheel dusdanig met elkaar zijn verweven dat voor het niet verstrekken van één afzonderlijk onderdeel daarvan redelijkerwijs geen boete kan worden opgelegd. Verder valt niet in te zien dat appellanten door het niet verstrekken van de dienstroosters niet konden voldoen aan het verstrekken van de overige onderdelen. Het College ziet ook geen grond voor het oordeel dat DNB de boete nog verder had moeten matigen dan met € 10.000. Daarbij is in aanmerking genomen dat de boete al van aanvang af flink was gematigd.

    Download publicatie

    Medium: AB 2019/361