publicatie

    De reflexwerking van het relativiteitsvereiste

    Rachid Benhadi
    Rachid BenhadiPublicatiedatum: 1 februari 2014

    De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Zo luidt sinds 1 januari 2013 het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste. Met de inwerkingtreding van artikel 8:69a van de Awb is artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet vervallen. Als gevolg hiervan geldt met ingang van 1 januari 2013 het relativiteitsvereiste over de volle breedte van het bestuursrecht. Het relativiteitsvereiste geldt alleen in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter. In de bezwaarprocedure geldt het relativiteitsvereiste niet zodat een belanghebbende in bezwaar zich tevens mag beroepen op normen die niet strekken tot bescherming van zijn belang(en). In de praktijk leeft de vraag in hoeverre een belanghebbende die zich niet kan beroepen op materiële normen (‘het besluit is in strijd met de Monumentenwet’), omdat het relativiteitsvereiste daaraan in de weg staat, via de band van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (‘het besluit is in strijd met de rechtszekerheid en de beslissing op bezwaar bevat geen volledige heroverweging’) de beslissing op bezwaar alsnog vernietigd kan krijgen. Zoals hierna zal blijken, heeft de Afdeling deze route afgesneden. In de literatuur wordt deze uitwerking als de reflexwerking van het relativiteitsvereiste aangeduid.

    Download publicatie

    Medium: Tijdschrift voor Praktisch Bestuursrecht