publicatie

    Last ter voorkoming van herhaling. Geen differentiatie in beleid. Specifiek interventiebeleid onredelijk.

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 1 maart 2022Laatste update: 23 maart 2022
    Last ter voorkoming van herhaling. Geen differentiatie in beleid. Specifiek interventiebeleid onredelijk.

    De verzamelde informatie ten behoeve van het stelsel van zorgvuldigheidseisen moet alle stappen van de productieketen afdoende dekken, vanaf de kap tot aan de import van het hout op de interne markt. De verzamelde documentatie moet worden beoordeeld als een geheel en alle stappen uit de gehele toeleverketen moeten traceerbaar zijn. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat daaronder ook informatie valt over de locatie waar is gekapt, bijvoorbeeld in de vorm van een regeling die het recht verleent om op die plek hout te kappen. Volgens de Richtsnoeren moet het hout van een product te traceren zijn naar de plaats waar het hout is gekapt. In de Richtsnoeren wordt slechts één situatie genoemd waarin het product niet herleid hoeft te kunnen worden tot het bos waar het hout gekapt is. De doelstelling van de zorgvuldigheidseisen van artikel 6 van de Houtverordening is dan ook dat met het stelsel van zorgvuldigheidseisen de volledige keten, waaronder de locatie waar het hout gekapt is, traceerbaar moet zijn. Voor het stelsel van zorgvuldigheidseisen is van belang dat de verschillende documenten op elkaar aansluiten; dat duidelijk is wat ieder document bewijst; op welk systeem het document gebaseerd is en hoe betrouwbaar en geldig elk document is.

     Ingevolge artikel 19 van de Houtverordening moeten lidstaten sancties vaststellen die van toepassing zijn bij inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen zij alle maatregelen die noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat ze worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Met de rechtbank, en in navolging van voormelde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2017, is de Afdeling van oordeel dat het Specifiek interventiebeleid, zoals dat ten tijde van belang luidde, onredelijk is. Volgens dat beleid wordt een overtreding van artikel 4, tweede lid, van de Houtverordening altijd aangemerkt als een gering feit en wordt in alle gevallen volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Niet valt in te zien waarom deze overtredingen zijn aan te merken als geringe feiten die eenvoudig en snel kunnen worden hersteld. Ook acht de Afdeling het onredelijk dat bij de sanctie ten onrechte niet wordt gedifferentieerd naar de aard en ernst van de geconstateerde overtreding van artikel 4, tweede lid, van de Houtverordening. Denk aan de situatie waarin er geen aanwijzingen worden gevonden dat een marktdeelnemer daadwerkelijk betrokken is bij de import of handel in illegaal hout, ten opzichte van een situatie waarin niet kan worden uitgesloten dat de geïmporteerde zending hout illegaal gekapt hout bevat. Ook wordt niet gedifferentieerd naar de termijn waarbinnen een herinspectie moet plaatsvinden. In het beleid wordt in alle gevallen volstaan met een lange termijn van zes maanden. In het beleid is ook niet vastgelegd waaruit het bestuursrechtelijk handelen dan wel de bestuursrechtelijke maatregelen van de NVWA zullen bestaan, zodat niet duidelijk is of de minister in geval van een geconstateerde herhaalde overtreding daadwerkelijk handhavend zal optreden, en wat dit optreden zal inhouden.

    Download publicatie

    Medium: ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1736