publicatie

    Vuilniszakkenproblematiek. Geloofwaardige verklaring appellante waardoor aannemelijk is dat zij niet degene is geweest die de afvalstoffen verkeerd heeft aangeboden. (BR 2021/51)

    Chantal van Mil
    Chantal van MilPublicatiedatum: 23 juni 2021
    Vuilniszakkenproblematiek. Geloofwaardige verklaring appellante waardoor aannemelijk is dat zij niet degene is geweest die de afvalstoffen verkeerd heeft aangeboden. (BR 2021/51)

    Vuilniszakkenproblematiek. Geloofwaardige verklaring waardoor aannemelijk is dat appellante niet degene is geweest die afvalstoffen verkeerd heeft aangeboden.

    Door het adreslabel is de doos tot appellante te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante dat in dit geval aannemelijk gemaakt. Met de door haar overgelegde verklaring van de kok van de Albert Heijn heeft zij onderbouwd dat zij drie jongetjes heeft aangesproken op het bij de Marimbahal achterlaten van een doos die zij uit de container hadden gehaald en dat de jongetjes daarop toegaven dat zij dat hadden gedaan.

    Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit deze verklaring slechts direct volgt dat er een gesprek tussen appellante en de jongetjes heeft plaatsgevonden, maar niet dat appellante de aangetroffen doos in de container heeft gedaan en de jongetjes hem eruit hebben gehaald. Hoewel dit standpunt van het college juist is, volgt uit de omstandigheid dat appellante de jongetjes heeft aangesproken en uit het verloop van het gesprek volgens de overgelegde verklaring, dat de jongetjes een door appellante weggegooide doos uit de papiercontainer hebben gehaald.

    Ter zitting is vastgesteld dat het weliswaar lastig, maar niet onmogelijk is om een platgemaakte doos uit de papiercontainer te halen wanneer deze al vrij vol zit. Daarbij heeft appellante een zeer gedetailleerde, consistente en logische verklaring gegeven van wat er volgens haar op 27 mei 2020 is gebeurd, voordat haar doos die avond door de toezichthouder is aangetroffen onder de brandtrap bij de Marimbahal. Met deze verklaring, die zij heeft onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een derde, heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest die de doos onder de brandtrap heeft achtergelaten, maar dat de drie daar spelende jongetjes dat hadden gedaan.

    De omstandigheid dat appellante zich inzet voor een schone stad, wat zij heeft onderbouwd met het overzicht het grote aantal door haar ingediende meldingen en de schoonmaakactie in mei 2018 die zij heeft georganiseerd, betekent op zichzelf niet dat appellante niet degene kan zijn geweest die de aangetroffen doos verkeerd heeft aangeboden. Deze omstandigheid draagt echter wel bij aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen dat zij is doorgereden naar het Waldhoornplein omdat de papiercontainer op de Klaroenstraat vol was, dat zij haar afval niet aan de spelende jongetjes heeft gegeven, dat zij hen heeft gevraagd om na het spelen hun rommel op te ruimen en dat zij hen later heeft aangesproken op het achterlaten van het karton onder de brandtrap.

    Gelet op het voorgaande heeft het college appellante ten onrechte als overtreder aangemerkt in het primaire besluit van 2 juni 2020 en heeft het dit besluit ten onrechte niet herroepen bij het besluit op bezwaar van 4 september 2020.

    ABRvS 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:266

    Download publicatie

    Medium: ABRvS 10 februari 2021, BR 2021/51